Multiple choise questions

1. De meisjes ..... naar huis.
2. Waar ..... jij?
3. Jij ........ een jongen.
4. De kinderen gaan woensdag ....... school.
5. Ik heb ....... boek.
6. Dat boek is van de man. Dat is ........... boek.
7. Hij heeft drie kaartjes voor het theater gekocht. Hij heeft ER drie. Wat betekent ´ER´?
8. Welke zin is goed?
9. Ik heb goed ......
10. De jongens ........ lang op straat gespeeld.
11. Welke zin is goed?
12. Welke zin is goed?
13. Ik ga naar huis ...... ik moe ben.
14. Zullen we naar de film gaan? Kies de goede reactie
15. Welke zin is goed?
16. Welke zin is goed?
17. Toen ik klein ......, dronk ik veel melk.
18. Ik zou graag op vakantie willen. Wat betekent deze zin?
19. Gisteren ......... wij een nieuwe auto.
20. Welke zin is goed?